MEDEBEWONER DIENT KLACHT IN

Ik was destijds medebewoner in een therapeutische gemeenschap 'De goede Plek'.
Mijn professor, ik noem hem hier Peter, had hier tijdens één van zijn colleges criminologie over gesproken.
Ik had voor de studie criminologie gekozen omdat ik me een slecht mens voelde en mijn slechtheid beter wilde begrijpen. Ik weet dat het wat overdreven klinkt, maar zo was het nu eenmaal.

'De Goede Plek' was één van de eerste therapeutische gemeenschappen die er bestond. Ik was er graag omdat iedereen er als gelijkwaardig werd behandeld. We spraken er over bewoners en medebewoners.
Als medebewoner bleef ik er slapen omdat er altijd iemand aanwezig moest zijn als één van de bewoners het moeilijk kreeg.
Ik deed dat graag.

Er was een jonge vrouw, ik zal haar hier Lieve noemen, die hysterisch werd wanneer Peter in haar buurt kwam. Als ik de nodige afstand bewaarde, kwam ze tot rust bij mij. Uiteindelijk is ze vertrokken, of beter gezegd gevlucht. Ik wist waarom, maar veinsde ontwetendheid, net als vele andere medebewoners.

's Morgens bleef ik altijd verstijfd in bed liggen tot Peter langs kwam, me tongzoende, mijn intieme delen betastte en zijn kwakje loosde.                                              
Dat moet hij met andere bewoners en medebewoners ook gedaan hebben.
We spraken er niet over maar in de elkaar ontwijkende blikken van herkenning wist ik wie ook één van zijn slachtoffers was.
Iemand moet klacht hebben in gediend, want de rijkswacht is een keer binnen gevallen.
Men kon niets bewijzen. Tot meerdere eer en glorie van de professor die op zijn universiteit door de bestaande conservatieve orde belaagd werd omwille van zijn vooruitstrevende ideeën.

Ik heb lang in een kramp geleefd. Verstond niet waarom ik daar bleef.
Vol schuldgevoel om wat er gebeurde bij sommige bewoners.
Tot ik zwanger werd van mijn lief.
De professor zijn hand op mijn buik legde en ik wist meteen: ik ga weg en kom nooit meer terug.
Aan mij kon hij komen, maar aan het nieuwe leven dat in mij groeide, neen, nooit.

Het heeft vele jaren geduurd voor ik er met iemand over kon praten.
Tot een vriendin uit mijn tijd in de 'Goede Plek' de lofzang zong over de professor.
Ik vertelde haar wat er destijds gebeurd was.
Ze bezwoer met er met niemand over te praten, het mocht Carmen niet ter ore komen, haar wereld zou instorten.
Carmen was destijds één van de bewoners en inderdaad heel goed geholpen door de professor.

Hij is inmiddels overleden.
Samen met een vriend die klusjesman was op De Goede Plek, heb ik aan Peters sterfbed gezeten. Hij kon nog maar moeizaam praten en stamelde: "Erika, ik heb toch niets verkeerds gedaan?"
Ik legde mijn hand in zijn hand...de wanhoop van een stervende man... ik kon hem geen absolutie schenken... enkel nabij zijn in zijn sterven...en hoopte tevergeefs dat hij zou zeggen 'het spijt me'.

En in deze vertellingen breek ik langzaam los uit het zwijgen.
Zo geef ik mezelf bestaansrecht en verdrijf het gevoel dat ik er beter niet zou zijn.


{{ popup_title }}

{{ popup_close_text }}

x