DE NEPTUNE

De eerste warme lentewind waait de lucht vol pluizen.
De paardenbloemen bloeien voluit.
Erika heeft Aruna gevraagd om buiten te zitten al is de lucht nog fris.
Ze kijken uit over de vijver.
Aruna wacht zonder te wachten tot Erika zelf haar verhaal begint.

In ons dorp stond een oud vervallen hotel, De Neptune, vergane glorie.
De pleisterplek voor rijke mensen uit de stad als het mooi weer was. Toen was ik nog niet geboren.
We werden er onweerstaanbaar toe aangetrokken, deze keer niet met mijn broer en zijn vrienden, maar met mijn zus en ons buurmeisje.
Een wildgroei van struikgewas schermde het domein af van de nieuwbouwwijk.
Het water was donkergroen en er zwommen kikkers in.
De tegels rond het zwembad waren gebarsten.
Zoals altijd werd ik onweerstaanbaar aangetrokken door water en ging zwemmen in mijn ondergoed. Mijn zus en buurmeisje vonden het maar vies.
Daarna gingen we het hotel binnen. De plankenvloer kraakte, sommige planken waren gebroken.
Ik hield ervan vervallen gebouwen binnen te sluipen. Het was spannend, we gingen graag op avontuur.
Toen we naar buiten kwamen stonden er enkele jongens, ze waren iets ouder dan ons, nonchalant en vol branie. Er hing meteen een spanning. Onder hen Karel Verdood, de broer van een klasgenote van mij, hun vader had in de Kongo gewerkt en was daar met een Kongolese getrouwd.
Mijn zus was een mooi meisje en voelde zich duidelijk tot hem aangetrokken. Vol branie stapte hij op haar toe en gaf haar een tongzoen. Ze was blij en verwonderd.
Al snel werd de sfeer grimmiger, hij probeerde haar uit te kleden, ze bood weerstand.
Ik was verward, wist dat zij iets met hem wou, moest ik hier tussen komen?
Niet wetend wat te doen, liet ik hen begaan. Ze stond daar, naakt, zijn vrienden lachten terwijl hij haar een tongzoen gaf.
Ik kan mij niet meer herinneren wat er toen juist gebeurde.
.De struiken schermden het oud hotel af van een nieuwbouwwijk.
Plots kwam er een man uit de struiken
Ik dacht: “Nu zijn we gered, hij gaat ons helpen.”
Hij brulde de luid dat we weg moesten anders ging hij de politie bellen.
Het was heel verwarrend, ik dacht dat hij ons ging helpen maar hij behandelde ons als schorremorrie.
In elk geval waren we gered.
Mijn zus kleedde zich snel aan en we liepen weg. De jongens liepen nog even luid lachend achter ons, maar eens op straat lieten ze ons met rust.
Van toen af was er een ondefinieerbare afstand tussen mij en mijn zus. Ik voelde me schuldig dat ik haar niet had geholpen, verward omdat zij verliefd op hem was en ik niet de spelbreker wou zijn en wist dat ik het lelijke eendje was waar niemand naar keek.

Mijn vader zei altijd: “Met de lelijkste kleren is ons Inge nog elegant, met de elegantste kleren is ons Erika nog een voddebaal.”
En tot op heden kleed ik me misschien niet als een voddebaal, maar zeker niet elegant, daar heb ik absoluut geen behoefte aan. Integendeel, ik kleed me liefst zo onopvallend mogelijk, zoek kleren waarin ik me kan koesteren. Maar soms krijg ik toch te horen dat mijn kleiding niet zo onopvallend is.
Aruna vraagt onverwacht: ”Ik hou van jouw kledingstijl. Zin om samen te gaan zwemmen?”
“Heerlijk.”

Erika vraagt Aruna of ze mag zwemmen in de vijver.
"Ja zeker. Zoals je hoort, hij zit vol kikkers en het is hier veilig."

{{ popup_title }}

{{ popup_close_text }}

x