GESPREK MET EEN OUDERLING
oorsprong van het verhaal: gesprek

       

Een man belt Aruna op voor een gesprek. Blijkt dat hij al bij de vijver zit, op een boomstronk. Aruna wandelt naar buiten en glimlacht naar hem.
“Jij belt me op terwijl je al hier bent?”
Hij knikt, kijkt wat verloren.
Aruna zet zich bij hem.
“Ik loop wat verloren. Verloren in de tijd, in de ruimte…”
Aruna lacht.
“Je hebt anders goed je weg gevonden naar hier.”
Hij kan meelachen en ziet er meteen minder verloren uit.
“Ja. Ik had al van je gehoord, dat je hier ergens woonde, heb hier wat rond gezworven en dacht:’ hier moet het zijn’.”
“En wat is er hier?”
“Iemand om mee te praten. Mag ik met je praten?”
“Ja zeker. Je bent welkom.”
Nu ziet hij er weer verloren uit, ook droevig.
“Ik loop verloren. Verloren in de ruimte en in de tijd. Mijn kinderen spreken me er voortdurend op aan. Vragen zich af of ik nog wel alleen kan wonen. Ik hou van mijn eigen plek tussen de bomen. Ik ga daar niet weg. Ik heb die bomen groot en sterk zien worden, ze zijn mijn vrienden.”
Hij valt stilt, zijn blik op oneindig.
“Fijn om iemand te ontmoeten die bevriend is met bomen.”
Zijn ogen lichten op.
“Jij kent dat ook, hé”
“Natuurlijk. Soms denk ik  ‘we zijn een uitstervend ras’. Maar dat is niet zo. We zijn met velen. Ook jonge mensen.”
“We leven een soort schaduwbestaan.”
“Hoe oud ben je?”
“Zesenzeventig.”
Hij kijkt wat afwezig.
Aruna zegt: “Net als bomen worden  oude mensen vaak te weinig geëerd.”
Hij reageert niet.
“Kijk, daar aan de overkant van de vijver staat een oude berk, hij heeft een omtrek van wel drie meter. Wandel je mee naar hem?”
“Of haar?”
“Ja, hem of haar.”
Hij wandelt mee. Zijn tred is verrassend soepel en sterk.
“Wat een prachtige boom.”
Hij legt in een teder gebaar zijn hand op de schors en kijkt naar omhoog doorheen de fijne takken en twijgjes.
“Mijn kinderen denken dat ik begin te dementeren. Maar dat is niet zo. Ik praat met leeftijdsgenoten, en die vergeten ook wel eens wat, kunnen niet meer op namen komen, weten niet meer wat is afgesproken… Toch voel ik me heel helder. Helderder dan ooit. Het is maar door hun commentaar dat ik me zorgen maak.”
“Ik hoor je zegen dat je helderder bent dan ooit. Dat hoort bij ouderlingen. Die groeien weg uit de strak gestructureerde tijd, verbinden zich al met de al-tijd, de oneindigheid waardoor leven  in een ander perspectief komt te staan. Je bent een ouderling.”
Hij kijkt haar open aan: “Vroeger zou ik je uitgelachen hebben. Maar je hebt gelijk. Ik vind het ook heerlijk om uit die structuren te vallen. Men wil me zogezegd helpen. .. maar door me terug in die structuur te dwingen, raak ik mezelf kwijt. Ik vind het heerlijk om niet meer aan tijd gebonden te zijn, ’s nachts op te staan en te gaan wandelen tot ik niet meer weet waar ik ben, ik zal wel ergens terecht komen.”
“Ouderlingen openen zich al naar het geestelijke leven, niet meer gebonden aan de beperkingen van hun stoffelijk lichaam. Het lijf raakt in verval, maar de geest wordt terug vrij. Het is heel pijnlijk dat in onze samenleving zo weinig naar hen geluisterd wordt.”
“Ik heb een tweelingbroer, gestorven bij geboorte. Ik heb nooit zo veel aan hem gedacht. Doch sinds een aantal jaar voel ik hem heel nabij. Hij wandelt met me mee.”
“Is hij er nu ook?”
“Nee, nu ben jij er.”
“De berkentakken ritselen.”
Hij lacht smakelijk: “Nu gaan we samen wanen.”
Ze lacht met hem mee. Ook lachen is een weg uit de vastgeroeste werkelijkheid.
“Neem je tweelingbroer maar helemaal aan. Mensen die tweelingverlies kennen, hebben vaak een extra verbinding met de geestelijke werkelijkheid.”
“Ja, ik weet het. Dank zij jou kan ik dit weten nu aannemen. Je kan het maar bij weinig mensen uitspreken. ”
“En bij meer dan je denkt. Maar je hebt er wel moed voor nodig.”
Hij grapt: “Ik ben een moedige, oud man.”
“Eer jezelf als ouderling.”
Hij kijkt haar nu vol en stralend in de ogen: “Dank je wel lieve vrouw.”