MONARKENGRAF

       

Een jonge vrouw komt bij Aruna. Voor het eerst. Ze is heel stil. Aruna geeft haar rustig de tijd om toe te komen. De stilte vult zich met een zachte aanwezigheid, haast tastbaar in de ruimte. Er trekt een rilling over Aruna’s huid.
Na lang kijkt de jonge vrouw haar aan: “Hij is hier.”
Aruna knikt, ja hij is hier.
De jonge vrouw begint te snikken en legt een hand op haar buik.
“Ben je zwanger?”
“Ja.”
Het snikken schokt nu door heel haar lijf, de hand omhult haar kindje.
Aruna herhaalt de woorden van de jonge moeder: “Hij is hier.”
De jonge vrouw haar lijf ontspant in een diepe zucht : “Ik ben zo blij dat jij zijn aanwezigheid ook voelt.”
Aruna glimlacht zacht.
Dan komt het hele verhaal.
Zij en haar jonge man wilden samen een kindje laten komen. Toen kreeg

hij een agressieve kanker. Na amper drie maanden was hij dood. Hij heeft nooit geweten dat ze zwanger was.

Aruna zegt: “Hij is hier, hij weet het nu.”
Het gezicht van de jonge moeder klaart helemaal op: “ Jij bent de enige die mij gelooft.”
“Ja, ik geloof je. En met mij vele anderen.
De jonge vrouw kijkt verbaasd, niemand gelooft haar.
Aruna legt uit: “Wij zijn geschoold in fysische wetenschap met zijn wetten van oorzaak en gevolg, ruimte en tijd. De psychische wetenschap is van een andere orde. Ik heb geleerd om wat mensen in die dimensie tegenkomen en beleven voor waar aan te nemen. Al die belevingen horen bij het grote mysterie van het leven waar wij deel van zijn. Mensen hebben geleerd er niet over te praten. Het past niet binnen het kader van de positieve wetenschap waarin wij zijn opgegroeid, dus voelt het aan als onwaar. Maar de geestelijke werkelijkheid is, hoewel van een andere orde, helemaal niet strijdig met de positieve wetenschap. Dat moeten sommige mensen nog ontdekken.
De jonge moeder zegt nu ferm: “Hij is hier.”
Aruna vult aan: “Ja, hij is hier en waarschijnlijk blijft hij nog een tijdje.”
De jonge vrouw vult aan:”…tot ons kindje geboren is…” een gelukzalige glimlach breekt door haar tranen heen “… en hij zal het nooit in zijn armen kunnen houden…” Ze buigt haar hoofd
“Neen, dat kan hij niet,” beaamt Aruna.
Met een warme omhelzing nemen ze afscheid.
“Mag ik nog eens terugkomen?”
“Van harte welkom”
“Ja, met ons kindje.”
“Ja, met jullie kindje”

Aruna kijkt stil over het water. Wat is Joren, haar geliefde al lang weg.
Ook zij hebben samen over een kindje gedroomd. En toen kwam het ongeluk. Heel even voelt ze een lichte tinteling in haar hart, alsof hij haar van heel ver toch even aanraakt. Ze weet het niet goed, het is net iets te vluchtig om hem voor echt waar te nemen, het lijkt meer de echo van een verre herinnering...
’s Avonds gaat ze naar het Monarkengraf, een 3000 jaar oude begraafplaats verscholen in het bos. In oude tijden kon je er uitkijken over twee valleien, die van de Dijle en die van de Vaalbeek. Nu is het uitzicht er dichtgegroeid.
Als kind kwam ze er regelmatig. De eerste keer was haar moemoe net gestorven. Dwalende door het bos, onwetende dat het een grafheuvel was, huilde ze er in het gras en vond troost bij het licht dat scheen door de hoge bomen.
Toen Joren stierf, wilde ze de urne niet op haar schouw of in een muur op het kerkhof hebben staan en plots herinnerde zich de oude plek in het bos. Ze was er sinds haar adolescentie jaren niet meer geweest. Ze heeft de urne genomen, moest even zoeken want het bos rond het Monarkengrafwas overwoekerd door bramen, en heeft er de assen van Joren uitgestrooid. De maan verlichtte doorheen de sparren de heuvel. Magie in de lucht, de aanwezigheid van Jorens vader was meteen voelbaar.

Als kind ging ze intuïtief naar het Monarkengraf om bij haar moemoe te zijn.
Bij het heengaan van Joren was het de eerste keer dat ze zich bewust realiseerde dat er magische plaatsen zijn in het landschap waar de poort tussen hemel en aarde zich opent.
Zijn vader. Ook al heeft ze hem nooit bij leven gekend, ze heeft altijd geweten dat ze zijn zegen had, dat hij blij was dat zij Jorens vrouw was. Ook nu voelt ze zijn zegen weer. Maar Joren zelf lijkt al heel ver weg.
Ze overweegt om het Monarkengraf aan de jonge moeder te tonen.
Maar ze is te beschroomd, alsof de plek dan ontheiligd zou worden. Alsof alleen priesters dat werk mogen doen. En meteen voelt ze de aanwezigheid van haar moemoe die haar laat voelen dat Aruna zijn voldoende is. Ze moet gewoon nog groeien in het overbrengen van respect voor heilige plaatsen.
Als Aruna daarin groeit, dan kan het. Het maakt haar blij.