GEVANGEN

 
De zon komt op in gouden licht. De lucht trilt van vogelzang. Aruna… de tonen van haar fluit zweven door het dal, vervuld van droefenis vibreren ze mee met het licht. De ontwakende natuur mildert haar droefenis in zachte weemoed. Haar lied verbindt zich nu met het ruisen van de bomen. De roep van de vos naar zijn wijfje verbindt haar met de aarde. Zo kan ze leven met haar eenzaamheid, zo kan ze hier zijn. Bij de paarden. Nieuwsgierig luisterend naar haar lied naderen ze. Haar fluiten stokt, ze heeft de neiging om terug te deinzen voor de kudde. In contact met de bomen ademt ze diep naar de aarde toe, als geworteld blijft ze staan. De paarden houden nu eerbiedig afstand. Met hervonden adem stemt ze zich af op de moedermerrie en fluit een paardenlied. Na even gaan de paarden weer rustig grazen. Ze legt haar fluit neer en huilt om al degenen die ze verloren is, een moment van loutering. Tijd om het vuur aan te maken. Een vrouw van middelbare leeftijd vertelt haar een droom. “Ik ben gevangen in een ondergrondse bunker. Er zijn nog mensen maar ik heb geen beeld van hen. Ik weet wel dat ze roerloos zitten. Ik loop wanhopig heen en weer, er zijn veel gangen en hoekjes, maar ik vind geen uitweg.” Heeft ze het gevoel de mensen te kennen? Neen, ze zijn haar vreemd. Ze wil niet bij hen horen. Wie in haar leven is haar zo vreemd? Haar moeder, haar grootmoeder. Vertel eens over moeder, grootmoeder. Ze zitten gevangen in hun verdriet. Grootmoeder heeft al haar familie verloren in de tweede wereldoorlog. Ik heb haar nooit zien lachen, niet naar mij, niet naar mijn moeder. Kan je moeder naar jou lachen? Ze hield van me maar was steeds zo kil. Even is het stil. Dan zegt Aruna: “Wat zat jij gevangen in hun verdriet.” Nu huilt de vrouw en vertelt hoe ze steeds verstrikt geraakt in de pijn van haar geliefde. Telkens opnieuw. Uiteindelijk loopt de relatie spaak en bij de volgende gebeurt het opnieuw. Wat zou je graag willen doen en doe je niet omdat je zo gevangen zit? Beeldhouwen. Het antwoord van haar cliënten verrast haar telkens opnieuw. Het is zo vaak doordrongen van de scheppende kracht van de mens. Aruna vraagt de moeder-merrie mee uit de kudde, legt een pad op haar rug zodat het gewicht van de ruiter verdeeld wordt en nodigt de vrouw uit om zich te laten dragen door de merrie. Ze hoeft niets te doen, enkel zich overgeven aan de beweging van het paard. Aanvankelijk blijft de energie van de vrouw hoog, haar adem stroomt niet door. Al wandelend door de tintelende ochtendlucht kan ze langzaam landen tot haar beweging één wordt met de gang van merrie. Nu nodigt Aruna de vrouw uit om contact te maken met haar verlangen: beeldhouwen. Haar vraag brengt de vrouw opnieuw uit haar evenwicht, uit haar lijf, ze laat zich niet meer dragen. Maar na even zit ze weer in de juiste cadans, kan ze weer landen en laat haar verlangen dragen door de merrie. Zo krijgt haar leven langzaam bedding. Een maand later zoekt de vrouw Aruna opnieuw op. Ze heeft een beeld gemaakt, een moederbeeld.