GEBOORTEDAG

       

Leunend tegen een berk aan de rand van het meer bereidt Aruna zich innerlijk voor op de supervisiedag. Ze is mentor voor ervaren begeleiders. De stilte wordt gebroken door het trappelend gekletter van zwanen op het water waarna ze opstijgen in een zoevende vlucht.
In gedachten vaart ze mee door de lucht … tot de zwanen uit het oog verdwenen zijn. Het brengt haar bij het gemis van haar geliefde die jaren geleden gestorven is. In het zich verbinden met deze sierlijke, krachtige vogels hernieuwt ze haar moed om zonder hem verder te gaan. Haar werk en wat ze daarin voor mensen kan betekenen, vormt na zijn heengaan een nieuwe bedding voor haar leven.
De supervisanten komen toe. Eén van hen is jarig. Ze vertelt dat heel haar lijf pijn deed, ’s ochtends  bij het ontwaken. Pas na drie uur kon ze vol ademen.
Aruna vraagt haar met welke beelden ze is wakker geworden.
Beelden over een monastiek leven, afgezonderd in een grot, hoog in de bergen… over mensen die naar haar komen om raad… over de verbinding met de geestelijke wereld die ze er verzorgt…
Ze heeft een relatie, wil die koesteren en tegelijkertijd is daar het verlangen om een kleine groep vrouwen op te zoeken en samen te leven in gebed en stilte, om onthecht van luxe en wereldse afleiding zich toe te vertrouwen aan een boedhistisch leraar.
Reeds als kind had ze droombeelden waarin ze  een monastiek leven leidde. Als puber verlangde ze naar in stilte samenleven met vrouwen. Aruna vraagt of ze zo’n plek kent.
Neen, ze heeft er wel over gelezen.
Aruna vraagt één van de deelnemers om achter de vrouw te gaan zitten en zo het monastieke leven waar ze in de droombeelden voeling mee heeft te representeren. De representant heeft er meteen contact mee en zegt dat ze hoort bij de voorgeschiedenis van de supervisant.
Voor de supervisant zelf is het moeilijk om dit monastieke leven toe te laten.
Aruna vraagt aan een andere deelnemer om de vrouwen te vertegenwoordigen die in stilte en gebed samenleven en aan een man om te staan om voor de geliefde waarmee de supervisant samenleeft.
Naar de vrouwen kan de supervisant goed kijken, al haar verlangen gaat naar hen toe. De man is afwezig. Aruna maakt de supervisant hier attent op. Deze voelt wel een vage verbinding met de man, maar ze wil helemaal bij de vrouwen horen.
Aruna vraagt haar of ze contact kan maken met haar eigen monastieke voorgeschiedenis, waarin ze geestelijk leider is voor velen. Het lukt pas als de supervisant zich omdraait naar de vertegenwoordiger voor het monastieke leven. Er is een schok van herkenning, ze kijkt in de spiegel van haar eigen wijsheid die ze heeft meegenomen naar de aarde. Als kind wist ze dit. In de onzekerheid van de puberjaren is ze de kracht van deze wijsheid verloren, in de jong volwassenheid ging ze deze zoeken in een eindeloze reeks cursussen, workshops, opleidingen…
In deze opstelling hervindt ze de verbinding met haar wijsheid. Nu kan ze deze verder verdiepen. Aruna laat haar, rustend in die verbinding, opnieuw naar de vrouwen kijken. Gelijkgestemde zielen die elkaar kunnen voeden en bedding geven. De pijn in haar lijf waarmee ze is wakker geworden, is nu helemaal verdwenen, haar lijf is warm en gevuld.

Aruna laat haar nu naar de representant voor haar man kijken. Ja, met hem wil ze door het leven gaan. Nu ze met haar wijsheid verbonden is, kan ook hij helemaal bij haar aanwezig zijn.
En vrouwen zullen steeds een prominente plek hebben, zij zijn de bron waar ze steeds naar terug kan keren om haar bestemming te volbrengen, niet hoog in de bergen, wel tussen de mensen.
Tranen van ontroering om de volheid van haar monastieke geschiedenis, en hoe ze haar eigen wijsheid steeds uit de weg ging door bij anderen te zoeken wat ze nu bij zichzelf in de diepte kan  aannemen.

Na een inbreng van een supervisant doet de groep steeds een dankrondje. Eén van hen dankt voor het inzicht dat we ons moeten verbinden met de gaven die we meebrengen uit de geestelijke wereld om ze met de aarde te verbinden en hier verder te ontwikkelen.
Samen wensen ze haar een gelukkige verjaardag.